Oorsprong van de Twentse maakindustrie

Engbertsdijkvenen, foto: Canon van Overijssel

Twente is in het midden van de 18e eeuw relatief arm.  De grond is niet of nauwelijks ontgonnen.   Natuur, water, veen.  Een desolaat gebied.

Voor onze documentaire zijn we op zoek gegaan naar een gebied waar we kunnen filmen om zo dicht mogelijk bij het Twentse landschap van die tijd te komen. Op advies van Jan Bornebroek zijn we uitgekomen bij de  Engbertsdijkvenen

Een uitgestrekt hoogveengebied met levend en herstellend hoogveen en heide, nabij Kloosterhaar. Een restant van het grootste hoogveengebied dat ooit het noordoosten van Nederland bedekte. Het veengebied ontwikkelde zich na de laatste ijstijd, meer dan 10.000 jaar geleden. In de 15e eeuw begonnen de monniken van het klooster in Sibculo met de afgraving van dat veen. Ooit was meer dan de helft van ons land bedekt met ondoordringbaar hoogveen. In de laatste paar eeuwen is bijna al dit hoogveen afgegraven voor de winning van turf, het zogenaamde ‘bruine goud’. Nu maakt dit gebied deel uit van Natura 2000, het Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.

In goed overleg met boswachter Jeroen van Staatsbosbeheer hebben we prachtige opnames kunnen laten maken. Laat je verrassen in de eerste twee minuten van onze documentaire.

Omgeving Engbertsdijkvenen, foto Truus Wijnen

Middel tot Geluk

Charles Theodoor Stork wordt in 1822 geboren in Oldenzaal en overlijdt in 1895 ook in Oldenzaal. Zijn droom, een bijdrage leveren aan een betere wereld, is dan deels al gerealiseerd maar zal pas na zijn dood echt tot wasdom komen.
Dat komt doordat zijn nazaten het werk van C.T. voortzetten.  Misschien zijn de kinderen daartoe wel extra gemotiveerd geraakt toen zij in 1895, na het overlijden van hun vader, dit gedichtje vonden bij zijn persoonlijke spullen:

“Middel tot geluk”, heet het gedicht van Jan van Walré (1759 – 1837)
Waarom vertelt dit kleine gedicht ons eigenlijk zo veel over C.T. Stork?
We vragen het aan Carla Borgers, dominee van de Doopsgezinde kerk in Twente.

 

Een mooie manier om te duiden dat Doopsgezinden liberaal zijn in hun gedachtegoed.
En hoewel C.T. Stork zelf Nederlands Hervormd gedoopt is, voelt hij zich waarschijnlijk erg thuis bij de Doopsgezinden. Want eigen verantwoordelijkheid wordt door C.T. Stork met hoofdletters geschreven. En dat geldt niet alleen voor C.T. Stork, maar volgens Jaap Scholten, één van zijn nazaten, geldt dat voor veel meer familieleden.

In zijn boek Horizon City  schrijft Jaap: “Ik heb nog nooit een levend familielid kunnen betrappen op enige devotie, of zelfs maar kerkbezoek, maar wel zie ik bij vrijwel alle familieleden sporen van de doopsgezinde cultuur: het streven naar onafhankelijkheid, een sterke gemeenschaps- of familiezin, afkeer van grote woorden en een heimelijk verlangen tot clanvorming”.

 

de Bornse smid Meijling

Stork heeft in zijn textielfabrieken af en toe problemen met de productie. Soms gaat een relatief simpel onderdeel kapot en staan zijn weefgetouwen stil. Soms duurt het wel zes weken voordat het onderdeel uit Engeland aankomt. Stork heeft er genoeg van. Daarom spoort hij zijn jongere broer,  Coenraad Craan Stork aan om samen met de smid Jan Meijling in Borne  een werkplaats in te richten voor de reparatie van machines voor de textielindustrie. In 1859 start Stork, Meijling & Co in Borne.

De werkplaats van Stork en Meijling in Borne, foto: Canon van de techniek in Overijssel

Het is in de eerst jaren van haar bestaan moeilijk voor het bedrijf om het vertrouwen van de Twentse textielfabrikanten te winnen.  Door de grote stadsbrand van 1862 in Enschede komt daar verandering in. Opeens komen de orders, misschien wel noodgedwongen, ook uit Enschede en groeit het bedrijf.  In 1863 overlijdt Coenraad Craan op 34 jarige leeftijd. Daardoor gaat Charles Theodoor zich, misschien ook wel een beetje noodgedwongen, met de smederij bemoeien.  Jan Meijling is meer smid dan ondernemer en ziet niets in de grootste plannen van Charles Theodoor. Hij gaat weer “terug” naar zijn eigen smederij.

In 1864 wordt Gebr. Stork & Co opgericht. In 1868 verhuist Machinefabriek Gebr. Stoek & Co naar Hengelo.

Hengelo is Stork

C.T Stork vestigt in 1868 de Machinefabriek Stork & Co in Hengelo, pal naast de spoorlijn waar hij zelf hard voor had gelobbyd. Stork, zijn zonen en kleinzonen werken vanaf die tijd aan de ontwikkeling van de stad. Naast het spoor komt er een Tuindorp, een zwembad, een sanatorium, een bibliotheek en Het Verenigingsgebouw.

Ton Schaap, stedenbouwkundige aan het woord over de invloed van Stork op de ontwikkeling van Hengelo.

Samenwerking en wederkerigheid

C. T. Stork deelt  in zijn “Herinneringen en Wenken” zijn visie op de maatschappij en hoe hij denkt dat je het beste een bijdrage kan leveren om deze maatschappij te verbeteren.

Een citaat:

“Ik ben overtuigd, dat degenen die het meest doen om het zedelijk en stoffelijk belang hunner arbeiders te leren kennen en te bevorderen, op den duur ook de beste zaken doen. De kracht eener enigszins uitgebreide industriële zaak bestaat behalve in een goede leiding, in vlijtige, oppassende arbeiders. Daarom zou ik het zo nuttig vinden dat in elke fabrieksplaats een Vereeniging gevormd werd, waar men op gezette tijden debatteerde. Niet over het belang van den fabrikant alleen, ook niet over het belang van den arbeider uitsluitend, maar over het gemeenschappelijke belang van beide. Men neme de proef en zal verrassende uitkomsten verkrijgen!”

Charles Theodoor gelooft in echte samenwerking en wederkerigheid. En dat geldt niet alleen voor hem, maar ook voor zijn zonen, klein- en achterkleinzonen.

En dus bouwen de Storken een fabrieksschool, een zwembad, een bibliotheek, een verenigingsgebouw en een compleet Tuindorp. Ze bouwen aan een pensioenfonds, een ziekenfonds en een ondernemingsraad. Het begint al aardig te lijken op die ideale fabriek, die ideale maatschappij.

 

Annemieke Weeft

Annemieke Koster is oprichter en eigenaar van Enschede Textielstad, een weverij van duurzame stoffen. Op haar manier werkt Annemieke aan een betere wereld, een beetje in de geest van Stork. Hier haar verhaal: